Tien studievragen

Deze vragen kunnen tijdens een lesuur of als huiswerk gebruikt worden.

  1. Wat is volgens de auteur het kernverschil tussen de Afvalleer en de Volhardingsleer? Beschrijf beide posities in eigen woorden.
  2. Waarom noemt de auteur het Oude Verbond tweezijdig en het Nieuwe Verbond eenzijdig? Welk gevolg heeft dit onderscheid voor de zekerheid van de gelovige?
  3. Welke vijf voorzieningen (Hebreeuws segullot, kostbare maatregelen) heeft God volgens hoofdstuk 3 in het Nieuwe Verbond getroffen, opdat de gelovige niet kan afvallen?
  4. Hoe legt de auteur Jeremia 32:40 uit, en welke functie krijgt deze tekst in zijn hele betoog? Waarom keert hij telkens hierheen terug?
  5. Welke rol speelt het Hogepriesterlijk werk van Christus (Hebreeën 7:25; Johannes 17; Lucas 22:31–32) in de bewaring van de gelovige? Wat zou volgens de auteur de consequentie zijn als wij zouden ontkennen dat dit gebed altijd verhoord wordt?
  6. Wat betekent het dat de Heilige Geest in Efeziërs 1:13–14 een onderpand (Grieks arrabōn) wordt genoemd? Welke beeldspraak gebruikt de auteur om dit toe te lichten?
  7. Hoe verklaart de auteur de moeilijke teksten zoals Hebreeën 6:4–8 en 1 Johannes 2:19? Wat onderscheidt volgens hem een schijnchristen van een wedergeboren gelovige?
  8. Welk onderscheid maakt hoofdstuk 8 tussen verlossing en beloning? Waarom is dit onderscheid volgens de auteur essentieel om Bijbelteksten als 1 Korinthe 9:24–27 en Openbaring 3:11 goed te verstaan?
  9. Welke consequenties zou de Afvalleer volgens hoofdstuk 12 logisch met zich meebrengen? Kies er drie uit en leg uit waarom de auteur ze huiveringwekkend noemt.
  10. Hoe verhouden de canones van het Concilie van Trente (1545–1563) zich tot de gereformeerde belijdenis van heilszekerheid? Wat zou de auteur antwoorden op canon 15, die de zekerheid van de uitverkiezing veroordeelt?

Plaats een reactie